Dagboek van opperrabbijn Jacobs in Oekraïne

Van 10 t/m 15 maart bezocht opperrabbijn Jacobs samen met Roger van Oordt, directeur van Christenen voor Israël, Oekraïne. Wat hij tegen kwam ontroerde hem, net als het goede werk wat Christenen voor Israël. opperrabbijn Jacobs schreef zijn bevindingen op in een dagboek.

“Welkom in Kiev. Bij de douane word ik er op norse wijze meteen tussenuit gepakt. Hoeveel geld ik bij mij heb. Als er gezien wordt dat ik samen reis met Roger, die er duidelijk niet-Joods uitziet, mag ik verder. Bij het Hotel worden nog in de straat mijn koffers bij mij weggesleurd, naar mijn kamer gebracht waar ik duidelijk te verstaan krijg dat ik een fooi moet geven. Maar op het vliegveld staan ook Koen en Alina ons op te wachten, vol zorg en liefde. We kennen elkaar nu een dag. Dit zijn mijn innige vrienden, wij horen bij elkaar, want wij strijden voor en tegen hetzelfde. Onrecht, corruptie en daar doorheen Joden die dubbel lijden. Onvoorstelbare armoede, een historie die afschuwelijk is.

Bij de opperrabbijn van Kiev, ergens op de 6de verdieping tussen allerlei oude vieze gebouwen, woont hij met zijn gastvrije en energieke gezin. Deze reis is voor mij tot op heden een aaneenschakeling van tegenstrijdigheden. In Belacherkov, waarheen we gisteren reden, werden wij geconfronteerd met een Joodse school. Ik schrijf speciaal: geconfronteerd. Via de hoofdweg richting Odessa, met een plaveisel waar het laatste grote onderhoud waarschijnlijk nog voor de Tweede Wereldoorlog heeft plaatsgevonden, komen we in deze stad aan. Een stad van 200.000 inwoners. Voor de Sjoa was zeventig procent van de bevolking Joods. Een monument is gebleven en verhalen, verhalen, verhalen. Onduidelijkheid over de negentig weeskinderen die door de Oekraïense politie werden vermoord. Duidelijk dat ze werden neergeschoten, maar onduidelijk waar hun lichaampjes werden gedumpt. De Joodse school die tevens de synagoge is, weeshuis, gaarkeuken. De vroegere synagoge bestaat nog, maar niet voor de Joden. Hun gebouw krijgen ze niet meer terug. We bezoeken de heer en mevrouw Jacobson. Op de zevende verdieping wonen zij. In een krot. De weg naar hun huis bestaat uit vrijwel uitsluitend gaten in hetgeen wellicht eens asfalt was geweest. Hun zoon woont al in Israel, maar zij kunnen niet weg. Want de man is meer dan ernstig ziek, heeft geen geld voor een behandeling en kan het land niet uit, vanwege een schuld voor gas en electra. Zevenhonderd euro, drie-en-twintig duizend van de lokale valuta…..Een diep ontroerend moment als ik hem, namens Christenen voor Israël, de 23.000 mag geven. Binnen enkele weken vertrekken ze en kan hij de vereiste medische zorg ontvangen, in het Heilige Land.

BEMOEDIGING? deel 2

Rabbijn, kunt u in deel 2 van uw reisverslag een bemoediging schrijven, werd mij gevraagd n.a.v. deel 1. Geachte lezer, ik weet niet of ik dat kan en of ik dat wil. Op de Grote Verzoendag van 1941 werden 33.714 Joden buiten Kiev te verzameld. Ze moesten warme kleding meenemen, reisdocumenten en waardevolle spullen. Op beestachtige wijze werden ze vermoord. En dan de tweehonderd en vijftig weeskinderen in Breslau die, een voor een, een wak in het ijs werden ingeslagen om nimmer meer boven te komen. En nog recentelijk werd er weer een nieuw massagraf gevonden. Hoeveel zijn nog onbekend? En hoe is de situatie nu?

Een algemeen bekende uitdrukking in Oekraïne luidt: “als er geen water uit de kraan komt, hebben de Joden het opgedronken”. Ondertussen zijn de tien vrijwilligers uit Nederland en België gearriveerd. Ze gaan helpen om voedselpakketten uit te delen en ik mag ze welkom heten. Christenen die geheel belangeloos zelf hun reis naar Kiev betalen om Joden, die ze geheel niet kennen, te helpen. Ja, ik ben ervan doordrongen dat er veel verschilpunten zijn tussen ons Joden en hun christenen, maar wat wij samen ook innig voelen is hetgeen ons bindt. En zo zit ik dan, een Traditionele Rabbijn met een groep Orthodoxe Christenen in vriendschap bijeen.

Op de diverse uiterst bescheiden monumentjes die herinneren aan een gitzwart verleden, staat teksten in een taal die ik niet ken. Mijn gedachten zijn niet los te rukken van de verhalen die ik hoor van de zeer schaarse overlevenden. Maar nergens heb ik ook maar een tekst kunnen vinden die aangeeft dat ook handen in eigen boezem werd gestoken en de rol van de Oekraïners werd benoemd. Het waren de fascisten.

Wij rijden verder, op weg naar Vinnitsa, via snelwegen die vol kuilen zitten en de rit weinig veraangenamen. En dan komt er een telefoontje binnen. In tegenovergestelde richting op weg naar Kiev komt een busje met negen Joden die de stap hebben genomen en nog vandaag het vliegtuig nemen, op weg naar Israël. We treffen elkaar op een parkeerplaats. Ik spring ons busje uit en hol naar de bus van de negen die dadelijk dit nare land kunnen verlaten. Een ouder echtpaar voorin naast de chauffeur. In Be’er Sjewa zullen ze hun laatste levensfase gaan beleven. Achterin een jong gezin met een jongetje van een jaar of tien en op de middelste rij een ander gezin met twee kinderen. Zij kijken mij aan en ik spreek ze toe. Ik beschrijf hun onzekerheid. Alles laten ze achter. En de toekomst is voor hen nog erg onbekend en lijkt ver weg. Ik geef ze Gods zegen en wens hun al het goede. Ik mag ze steunen in hun beslissing. En door mijn hoofd ruist het geschreeuw van die tweehonderd en vijftig weeskinderen. Ik huil van verdriet, maar tegelijkertijd van vreugde.

Deel 3
De vijf dagen Oekraïne zitten er bijna op. Over een paar uur zet ik weer voet op vaderlandse bodem. Op de valreep mocht ik nog vier toespraken houden en mensen bemoedigen. Wat was het doel van mijn reis? Was het nuttig? Ik laat de vijf dagen de revue passeren. Kapotte snelwegen. Massagraven. Armoede en corruptie. Lege synagogen. Een Joodse gemeenschap zonder Joden. Een dominee van de Baptisten Gemeente die met tranen in de ogen vertelt dat hij de zorg op zich heeft genomen om een massagraf van ongeveer duizend kinderen te verzorgen op een manier alsof het zijn eigen kinderen zijn. In een van de vele voormalige Sjtetels (Joodse wijken) wonen nog enkele Joden in uiterst primitieve omstandigheden. Zij willen niet meer weg, begrijpelijk. Maar hun gezichten, de vreugde, de dankbaarheid als de vrijwilligers van Christenen voor Israël voedselpakketten komen brengen. In een lemen sjoel, in een van de Sjtetels, spreek ik de gemeenteleden toe. Ook Joden van naburige anderen Joodse Gemeenten, waaronder Uman, zijn gekomen. Ik spreek ze toe in het Engels en onze tolk vertaalt simultaan. En dan de vraag of ik nog een paar woorden wil zeggen, zonder tolk, maar direct in het Yiddish. Wat een dankbaar publiek en wat een geweldige gift van de Eeuwige dat ik ze mag toespreken en moed geven om verder te gaan.
Aan mijn bezoek is een eind gekomen. Een afscheidsfeest aangeboden door de rabbijn van Vinnitsa. Rabbijnen uit de omgeving waren uitgenodigd en kwamen uiteraard. De vrijwilligers uit Nederland en België, de leraressen van de school die ik eergisteren mocht bezoeken en waar wij verwelkomd werden door alle leerlingen die ons toezongen met Joodse liederen van welkom. Ik zong mee van vreugde, ik huilde in mijn hart van dankbaarheid en de directeur van Christenen voor Israël had tranen in zijn ogen.

Am Jisraeel Chaj, het Joodse Volk leeft en overleeft, ondanks alles en met de hulp van de Eeuwige en de geweldige inzet van broeders en zusters uit de Christelijke Gemeenschap. Ik moet weer naar Nederland, maar de vrijwilligers delen de pakketten uit. Ze gaan van huis naar huis. Ze hebben van de lokale medewerkers adressen gekregen. Een gigantisch zwaar voedselpakket. En ondertussen krijgen wij een telefoontje dat de negen Joden die ik heb mogen zien vertrekken van Israël dankbaar en gelukkig zijn aangekomen. Zij beginnen een nieuw leven in een land waar hun Jood-zijn geen probleem is. Voor hen is de geschiedenis van hun grootouders geschiedenis geworden. Een geschiedenis die wij nimmer mogen vergeten.”

Binyomin Jacobs, opperrabbijn

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail

1 reactie to Dagboek van opperrabbijn Jacobs in Oekraïne

Laat een reactie achter