NIHS Brabant

Deze joodse gemeente beslaat de steden Eindhoven en Den Bosch, en het gebied daartussen, maar strekt zich uit tot de zuidelijke en oostelijke grenzen van de provincie Noord Brabant. De synagoge in Eindhoven, waar regelmatig diensten worden geörganiseerd, stamt uit de tweede helft van de twintigste eeuw. Een mooi detail zijn de glas-in-lood ramen in het gebouw, die stammen uit de synagoge die daarvoor in de stad Eindhoven stond.

synagoge eindhoven

In de achttiende eeuw vestigden zich Joden, wanneer het maar enigszins mogelijk was, langs de handelswegen of in belangrijke marktplaatsen. Eindhoven was zo’n plaats gelegen aan de straatweg ’s-Hertogenbosch – Hasselt – Luik, met een wekelijkse markt en een aantal jaarmarkten. Het was joden tot 1800 niet toegestaan zich in Eindhoven te vestigen. Zij mochten alleen overdag in Eindhoven aanwezig zijn. Dit was gebaseerd op de stadsverordening uit 1731, gericht tegen vreemdelingen maar die vooral tegen joden werd toegepast. Daarom zochten zij noodgedwongen een woonplaats in de dorpen rond Eindhoven (Woensel, Strijp, Gestel, Stratum, Tongelre en ook Helmond)

In Helmond en Tongelre ontstonden huissynagoges en Joodse begraafplaatsen. In Woensel wordt in 1747 een Joodse begraafplaats aangelegd.

In 1772 wordt het stadsbestuur van Eindhoven door de Raad van Prins Willem V gesommeerd Joden toe te laten en ze niet langer te discrimineren. Toch worden de Joodse inwoners van Eindhoven, tot aan de burgerlijke gelijkstelling in 1796, nog talrijke belemmeringen in de weg gelegd. Vanaf 1800 begon zich in Eindhoven een kleine Joodse gemeenschap te vormen. Leven en wonen tussen een overweldigende katholieke meerderheid was niet altijd zonder problemen. Echter met het verstrijken van de jaren werd de Joodse gemeenschap getolereerd en meer en meer geaccepteerd.

Door succesvol ondernemerschap en de ontwikkeling van de industrie, groeide de Joodse gemeenschap in de tweede helft van de negentiende eeuw uit tot een bloeiende en welvarende gemeenschap. Tot in de twintigste eeuw bleef de Joodse gemeente van Eindhoven een kleine vesting van Joodse kennis en traditie. Ze hebben een niet onbelangrijke rol gespeeld bij de ontwikkeling van de stad. Omstreeks 1930 leefde in Eindhoven de grootste Joodse gemeenschap van de provincie Noord-Brabant.

De rond 1800 in Eindhoven wonende Joden kwamen vooral uit de streek tussen Keulen en Krefeld en uit de omgeving van Bad Kreuznach in de Pfalts. In 1808 woonden er 100 Joden in Eindhoven en 22 in de omliggende plaatsen.

Na 1850 nam het aantal joodse inwoners snel toe. Eindhoven werd de zetel van het opperrabbinaat van Noord-Brabant. De synagoge werd al snel wederom te klein, waarop in 1866 een nieuwe synagoge gebouwd werd.

Behalve in Tongelre en Woensel was er ook een joodse begraafplaats in Eersel.

Rond 1900 woonden er 320 Joden in Eindhoven en ongeveer 60 in de omliggende plaatsen.

De Joden in Eindhoven zijn aanvankelijk werkzaam als slagers, veehandelaars, winkeliers en venters. Rond de eeuwwisseling is een aantal Joodse families, waaronder de stoffenfabrikant Elias, belangrijk voor de industriële ontwikkeling van de stad.

In de jaren dertig neemt Eindhoven een groot aantal Joodse vluchtelingen uit Duitsland op, waaronder veel kinderen. Het aantal Joden groeit tot 570 in 1940, In de Tweede Wereldoorlog worden 266 van de 570 Joden, die bij het uitbreken van de oorlog in Eindhoven woonden, in voornamelijk Auschwitz en Sobibor vermoord.Tijdens de oorlog hebben zich nog 339 Joden in Eindhoven gevestigd, vooral uit andere plaatsen in Nederland, om bij familie hier te komen wonen. Van deze groep zijn er 66 vermoord. In totaal is 36 procent van de Joodse inwoners vermoord. Van de grote steden in Nederland zijn Eindhoven en Tilburg daarmee de steden met het laagste percentage slachtoffers. Velen zijn gered doordat zij een goede band met de niet joodse inwoners hadden en via onderduik de oorlog hebben overleefd. Ook zouden de Duiters in Eindhoven niet zo fanatiek zijn geweest in het opsporen en arresteren van de Joden die niet reageerden op hun oproep voor transport naar Westerbork of Vught. Zo zijn er geen aanwijzingen gevonden van grootschalige razzia’s, zoals die in andere steden hebben plaatsgevonden. Hoewel Philips haar Joodse medewerkers beschermde bij het Philips Kommando in Vught, zijn ook van deze groep alsnog 39 personen omgekomen. Vooral bij de hongermarsen na de ontruiming van de kampen in Polen in 1945 waar ze op 3 juni 1944 naartoe waren getransporteerd.

De na de oorlog uit kampen en onderduik in Eindhoven teruggekeerde Joden voelden zich over het algemeen niet welkom. Velen zijn daarom binnen enkele jaren geëmigreerd, vooral naar Israël.

De Synagoge

Ondanks alle tegenwerking slaagden enkele Joden er in om in 1781 in Eindhoven een huis in de Kerkstraat te kopen en het zodanig te verbouwen dat het gebruikt kon worden als synagoge. In 1808 werd de synagoge door 90 mensen bezocht. De synagoge werd te klein, maar dankzij een gift van koning Lodewijk Napoleon kon men de bestaande synagoge afbreken en een nieuwe bouwen. Deze werd in 1810 in gebruik genomen.

In 1851 kocht het kerkbestuur 3 woningen grenzend aan de synagoge. De Joodse gemeente was zodanig gegroeid dat in 1861 werd besloten tot de bouw van een nieuwe synagoge. Men was echter bang dat hiervoor geen toestemming zou worden verkregen. De rooms katholieke kerk was inmiddels afgebroken en op de hoek van de Kerkstaat en de Rechtestraat werd een grote nieuwe Catharinakerk gebouwd met een zijingang aan de Kerkstraat recht tegenover de huidige synagoge. Men maakte zich zorgen dat de diensten in de synagoge verstoord zouden worden door het orgelspel in de Catharinakerk. Maar in 1864 werd in de raadsvergadering, zonder veel discussie, de aanvraag goedgekeurd. In Eindhoven waren de rooms katholieke Kerk en de synagoge van oudsher al zeer dicht bij elkaar gelegen en beide gebouwen werden opnieuw opgebouwd. Er zijn geen archiefstukken gevonden waarin het rooms katholieke bestuur bezwaar maakte tegen de nabijheid van de synagoge.

De synagoge zou worden gebouwd onder architectuur van Pierre Cuypers, die kort daarvoor ook de opdracht voor de Catharinakerk had ontvangen.

Op 24 augustus 1866 werd de nieuwe synagoge ingewijd.

Daags na de bevrijding van Eindhoven werd door het Duitse bombardement van 19 september 1944 de synagoge zwaar beschadigd. In maart 1946 begonnen de herstelwerkzaamheden, waarna de synagoge op 22 mei 1947 weer in gebruik genomen werd.

In 1953 ontstond het plan om de Kerkstraat te verbreden om een doorgaande route te realiseren tussen de Paterskerk en de Grote Berg. Daarvoor moest de synagoge wijken.

In februari 1959 werd de synagoge zonder protesten van de Eindhovense inwoners gesloopt. De wegverbreding is echter nooit doorgegaan.

Op 17 november 1958 is de huidige synagoge, in twee woningen in de Hendrik Casimirstraat 23, in gebruik genomen.

De Joodse Begraafplaats

In Woensel werd in 1771 de Joodse begraafplaats gelegaliseerd. Deze bevindt zich direct ten noorden van het huidige Station Eindhoven Beukenlaan, aan de Groenewoudseweg.

Op deze ommuurde begraafplaats is een gebouwtje uit 1910 te vinden. Dit is een metaheerhuis. Ook de muur is uit 1910. De oudste graven dateren uit de eerste helft van de 19e eeuw. Tussen 1854 en 1945 werden de graven aangeduid met nummerpaaltjes voorzien van Hebreeuwse karakters. De meeste graven hebben natuurstenen zerken, en de oudste hebben enkel een Hebreeuws opschrift, terwijl daar enkel de Joodse jaartelling werd gehanteerd. Latere graven hebben opschriften in het Hebreeuws en het Nederlands, met data volgens de tegenwoordig gebruikelijke gregoriaanse kalender.

De begraafplaats is goed te zien vanaf Station Eindhoven Beukenlaan, maar is zelf, op dit moment, niet toegankelijk.

De begraafplaats heeft de status van Rijksmonument. Er staan 330 grafstenen.

De joodse begraafplaats werd in de zomer van 1998 door de werkgroep ‘Boete en verzoening’ opgeknapt

De Joodse gemeente. Brabant in perspectief.

De Joodse Gemeente Brabant (NIHS Brabant) beslaat grofweg het Oostelijk deel van Brabant. (van Zaltbommel tot Roermond) De Joodse Gemeente Brabant maakt deel uit van IPOR. Het Interprovinciaal Opperrabbinaat van Nederland, afgekort IPOR, is het Opperrabbinaat dat verantwoordelijk is voor joodse zaken in alle (Joodse) gemeenten in heel Nederland buiten Amsterdam, Rotterdam en Den Haag. De bestuurlijke taak van het IPOR is omvangrijk. Het Dagelijkse Bestuur van het IPOR draagt de verantwoordelijkheid voor alle Joodse gemeenten die binnen hun gebied vallen. Behalve rechtstreekse contacten met de Joodse Gemeenten onderhoudt het IPOR ook contacten met de lokale overheden