‘Ik verdwijn liever achter de tralies dan dat ik mijn ambtsgeheim schend’

Het NIW interviewt opperrabbijn Binyomin Jacobs over de berichten in de landelijke pers rond vermeend seksueel misbruik in organisaties waaraan hij verbonden is, de geruchten die over hem de ronde doen en de verhouding tussen hem en het NIK.

U wilt voor we het interview beginnen iets kwijt, vertelde u.
Ik vind het heel naar deze discussie via de media te moeten voeren. Ik wacht nog steeds op een uitnodiging van het NIK om met elkaar in gesprek te gaan. Maar hoe dan ook, de zaak zoals die nu in onder meer De Telegraaf is gepubliceerd, is schadelijk voor heel Joods Nederland, niet alleen voor mij. Daarover zullen we het allemaal eens zijn. De deels anonieme beschuldigingen worden in de media gedaan, en daarom voel ik me ook na ampele overweging en met tegenzin genoodzaakt me via de media te verdedigen. Ik moet proberen de schade voor heel Joods Nederland zoveel mogelijk te beperken.

U gaat door een tumultueuze tijd. Hoe is het met u?
Ik heb gelukkig geen slapeloze nachten, wantik heb in mijn ogen niets verkeerds gedaan. Maar laten we wel zijn, het is niet leuk. Hoge bomen
vangen veel wind. Er zullen altijd mensen zijn die zeggen: “Zie je wel.” Sommige mensen proberen mij nu echt te beschadigen, meestal omdat ze
om een of andere reden nog een appeltje met mij hebben te schillen. Maar naast alle negatieve berichten krijg ik ook heel veel bijval en steun.
Op veel zaken die nu in de pers worden gepubliceerd, kan ik simpelweg niets zeggen, geen tekst en uitleg geven. Ik heb ambtsgeheim en om het
maar zo duidelijk mogelijk over te brengen: ik ga liever de bak in omdat ik vals word beschuldigd dan dat ik mijn ambtsgeheim schend. Privézaken die mij in vertrouwen worden verteld, zal ik nooit gebruiken voor eigen of andermans gewin.

U heeft niets verkeerd gedaan?
Als dat wel het geval is geweest, wil ik graag dat dat door derden wordt bekeken. Ik ben al 43 jaar rabbijn en heb altijd naar eer en geweten
gehandeld. Ik heb altijd mensen willen helpen en heb bij mijn weten nooit hun vertrouwen geschonden. Stappen in delicate kwesties besprak
ik niet alleen met juristen, maar ook met psychiaters en andere experts op hun vakgebied. Ik heb daar waar nodig om raad gevraagd. Maar wellicht was het niet verstandig om als opperrabbijn in het bestuur van het Cheider te gaan zitten. Of in het crisisteam dat werd gevormd toen de beschuldigingen van vermeend seksueel misbruik bij het Cheider aan het licht kwamen. Let wel, ik was een van de zeven personen die daarin zitting hebben gehad. Ook de directeur, leraren en andere vertrouwenspersonen, de meesten niet-Joods, maakten daar deel van uit. Misschien had ik niet in eerste instantie het woordvoerderschap op me moeten nemen. Misschien had ik meteen moeten zeggen: ik bemoei me er niet mee. We hebben de leraar in kwestie onmiddellijk geschorst. We hebben ook meteen tegen de mensen die het eerst met de beschuldiging kwamen, gezegd: doe aangifte. Alles is gegaan conform de wet- en regelgeving, in nauw overleg met de vertrouwensinspecteur en de politie. Maar ik ga niet zeggen of iemand schuldig of onschuldig is. Daar doe ik niet aan mee. Ik heb in dat opzicht namelijk niets te vinden; dat is echt aan de rechter. Nederland is gelukkig een rechtsstaat. Er wordt gezegd dat u in deze zaak te laat aan de bel heeft getrokken.
Nogmaals, ik heb meteen gehandeld. Niet de volgende dag, maar meteen.

Hoe zit dat met de zaak die nu speelt in Nijmegen?
Hiervoor geldt hetzelfde. Had ik moeten zeggen: er is iets aan de hand, maar laat iemand anders dat maar onderzoeken? Ik heb de eerste melding die bij mij binnenkwam in 2011 nota bene meteen zelf bij het bestuur gemeld. Alles is in samenspraak met het bestuur van de Joodse Gemeente Nijmegen gegaan. Er liggen verklaringen van mij bij de notaris waarin ik nota bene stel dat, indien nieuwe informatie aan het licht komt, de zaak meteen moet worden opgepakt en de rabbijn in kwestie zo nodig moet worden geschorst of ontslagen. Het bestuur heeft dat ook naar de leden gecommuniceerd. In Nederland ben je wel nog steeds onschuldig totdat het tegendeel bewezen is, maar hier lijkt het eerder andersom: je lijkt schuldig te zijn totdat het tegendeel bewezen is. Ja, later heeft zich via de oorspronkelijke melder een tweede slachtoffer gemeld. Ondanks herhaalde verzoeken mijnerzijds heeft die persoon zich nooit rechtstreeks tot mij gewend.
Inmiddels spreekt men van slachtoffers. Maar die tweede heeft zich nooit kenbaar gemaakt en ook is er geen aangifte gedaan. Ik hoop in ieder geval dat deze zaak nu goed zal worden onderzocht.
Voor zowel de potentiële slachtoffers als voor de rabbijn in kwestie en zijn gezin. Ik heb in ieder geval niets onder het tapijt willen vegen, maar ik
gooi ook niet zo maar zaken op straat die mensen zouden kunnen beschadigen zonder enige vorm van bewijs. Net zoals ik ook nooit zal zeggen dat de vermeende slachtoffers geen slachtoffers zijn.

U wordt verweten dat u het onderzoeksbureau dat deze zaak moet gaan onderzoeken zou hebben benaderd, expliciet tegen de opdracht
van het NIK in.
Dat is niet waar. Het enige contact dat er is geweest was met een pr-meneer, ingehuurd door het NIK, die bij mijn weten het NIK helpt met de
communicatie over de zaak. Met hem heb ik inderdaad contact gehad aangaande een persbericht over het aangekondigde onafhankelijke onderzoek. Ik had graag gezien dat daaraan was toegevoegd: ‘nu er nieuwe feiten aan het licht zijn gekomen. Feiten, zoals die in De Telegraaf stonden.’ Dat wilde die meneer niet en daar heb ik mij bij neergelegd.

Er ligt een conceptbrief die uiteindelijk niet aan u is verstuurd, waarin u wordt verzocht (tijdelijk) uw functie neer te leggen. Heeft u het idee dat het NIK u de mond wil snoeren?
Wacht even, ik weet dat nog niet van ze. Ik begrijp heel goed dat het onder bepaalde omstandigheden beter is om even te zwijgen. Net als nu.
Maar wat moet ik tegen het NIW zeggen, wanneer er zoveel vragen zijn? ‘Sorry, maar ik mag niets zeggen’? Ik heb nog geen enkele mededeling gehad dat ik niet mag praten of mijn functie moet neerleggen, behalve veel ruis in die richting. Daarbij komt, ik ben helemaal niet in dienst bij
het NIK. Ik ben verbonden aan het IPOR en van dat bestuur heb ik deze geluiden niet gehoord. Nu lijkt het alsof ik anti-NIK zou zijn, maar niets is
minder waar. Ik heb goed contact met veel leden van de Centrale Commissie en ook met de meeste leden van de Permanente Commissie. Voor zover ik weet zijn er twee mensen in de PC die moeite met me hebben. Ik draag de organisatie een warm hart toe, vind het prachtig dat binnen het NIK plaats is voor alle Joden, van klokvrij tot ultraorthodox, en dat ook de rabbijnen uit het brede spectrum van beleving binnen het traditionele Jodendom aanwezig zijn. Maar ik hoor nu ook steeds vaker mensen die zich afvragen: ‘Wil ik daar nog wel bij horen?’ Het staat reeds eeuwen in de hagada van Pesach: sjelo echad bilwad, ons gebrek aan eenheid is door de eeuwen heen steeds onze grootste vijand.

Er wordt ook gezegd dat u zich sinds uw pensionering door derden zou laten betalen.
Kijk, rabbijn zijn is geen vak. Als ik het een vak zou noemen, zou ik er morgen mee stoppen. Ik ben destijds gevraagd voor de functie van rabbijn
in Zürich, als opvolger van rabbijn Piron. Dat was een zeer goed betaalde functie, maar ik heb geen moment getwijfeld. Mijn plek is hier, als nazaat van meer dan tien generaties Nederlandse Joden. Als goed geld verdienen mijn voornaamste doel was geweest, dan had ik beter de opticienszaak van mijn vader en van mijn opa kunnen overnemen. Ik heb een pensioen, krijg dus geen salaris meer, alleen is de onkostenregeling van voor mijn pensionering doorgegaan omdat ik me nog steeds actief inzet voor de Joodse gemeenschap in zijn volle breedte. En ik schrijf eens in de veertien dagen een column voor een religieus periodiek, voor een bescheiden bedrag. Daar wordt keurig belasting over afgedragen. Dus
als men dat bedoelt met ‘je laten betalen door derden’, dan is dat zo.

Hoe nu verder tussen u en het NIK?
Ik zou graag met ze in gesprek gaan. Misschien had ik me pro-actiever in die richting moeten opstellen. Misschien heb ik te lang afgewacht. Of
misschien had ik meteen een advocaat in de arm moeten nemen. Ik heb ook gezegd dat ik graag onafhankelijk onderzoek zie naar mijn handelen. Ook heb ik al een paar maanden geleden het initiatief genomen om een adviesgroep samen te stellen, met mensen uit heel andere maatschappelijke hoeken dan ik, die mij vanaf een afstand kunnen adviseren. Wij zijn zondag voor het eerst bij elkaar geweest. Hans Knoop, lid van die groep, begeleidt mij nu in de communicatie. Hij heeft ook geadviseerd om zaken open te gooien en dit interview met u te houden.

En uw eigen toekomst?
Ik ga gewoon door en ik hoop van harte dat ik als dit NIW bij de lezers op de mat valt, inmiddels een gesprek met het NIK heb gehad. Zoals gezegd, slapeloze nachten heb ik er niet van, maar het kost wel heel veel tijd. Ik heb in mijn jaren als rabbijn met heel veel zeer complexe
problemen te maken gehad. Daar heb ik soms hoon voor ontvangen, maar ook heel vaak de genoegdoening dat iemand naar me toe kwam
en zei: “U heeft me toen zó geholpen!” Het is wel eens voorgekomen dat een man en een vrouw, een echtpaar, onafhankelijk van elkaar naar mij
zijn toegestapt omdat ze op het punt stonden te scheiden. Hij woedend op haar, zij woedend op hem. Het eind van het liedje was dat ze allebei
boos op mij waren, maar wel weer samen waren. En daar ging het om. Daar heb ik dan geen enkele moeite mee.
Laat ik tot slot zeggen, ongetwijfeld hebben veel mensen nu iets van: geen rook zonder vuur. Maar laten we wel zijn, er lopen in onze
gemeenschap ook enkele pyromanen rond, die het gewoon leuk vinden om een vuurtje aan te steken.
Bron: NIW 19 januari, 2018Tekst: Esther Voet, Foto’s: Thomas Schlijper

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail