Toespraak van Sallo Levy Op Jom Hasjoa in de Hollandse Schouwburg

Jom Hasjoa, 12 april 2018

Dames en heren,

Mijn geboortehuis staat in Dinxperlo, in de Grensstraat, een weg langs de Nederlands-Duitse grens. Het Achterhoekse dorp was voor Joden een soort microkosmos van Nederland. Er woonden zo’n 80 Joden, meest handelaren. Ze waren goed geïntegreerd in het dorp, actief in het verenigingsleven en gaven geld voor de bouw van de lokale spoorlijn.

Na de Kristallnacht vluchtten steeds meer Duitse Joden naar Nederland. De regering wilde die instroom drastisch beperken. Maar daar deed de toenmalige burgemeester van Dinxperlo, Hendrik Jan Verbeek, niet aan mee. Hij gaf zo veel mogelijk Joodse vluchtelingen een permanente verblijfsvergunning. Dat kostte hem zijn baan: binnen een jaar werd hij ontslagen.

Na 1940 bleven verzet én verraad bij Dinxperlo horen. Relatief veel Joden konden in de regio onderduiken. Tegelijkertijd werden veel Joden verraden door goede bekenden.

 

Mijn vader Louis Levy was veehandelaar die op zijn motor door de Achterhoek reed. In 1941 was zijn broer al naar Mauthausen gedeporteerd. Daarna zocht mijn vader onderduikadressen voor de familie. Mijn moeder Suzanne Cohen, mijn grootmoeder, oom en tante gingen naar één adres, hijzelf naar een ander, en mijn broer en ik naar een derde adres, in Groenlo. Ik was vier jaar en mijn broer twee.

Ik weet nog dat ik thuis op de keukentafel zat en heel veel kleren over elkaar aankreeg. Een vreemde mevrouw kwam mij halen. ’s Avonds laat bracht ze mij achterop de fiets naar vreemde mensen in een vreemd huis. Het was september 1942. Twee maanden later stond er in de krant een bericht onder de rubriek ‘verhuizingen’: “Het gezin Levy is naar onbekende bestemming vertrokken.”

Tijdens de onderduik kwam mijn vader mij opzoeken. Ik herinner mij dat ik op zijn knie zat thuis bij mijn onderduikfamilie. Dat was de laatste keer dat ik hem zag.

 

Mijn broer en ik hebben een goede onderduik gehad, op slechts één adres. Zorgeloos was die tijd niet: er was een bedrijf aan huis, zodat er altijd klanten kwamen. Bovendien hadden Duitse militairen het huis deels overgenomen. De angst om verraden te worden, was beslist aanwezig.

Mijn vader was als veehandelaar altijd buiten, op pad. De onderduik viel hem zwaar. ’s Avonds als het donker was, moest hij er gewoon uit. Hij ging dan wandelen – ook al zei iedereen dat het gevaarlijk was.

Zo is hij op een avond verraden. Pikant detail: de familie van de verrader was al twee generaties bevriend met mijn familie. Zijn vader staat zelfs als getuige geregistreerd op de geboorteakte van mijn vader. De zoon gaf mijn vader nu de eerste duw in de richting van de dood. Geen gewoon verraad dus, maar hoogverraad.

Nederlandse agenten hebben mijn vader gearresteerd. Ze mishandelden hem. Hij kwam gewond in het ziekenhuis terecht. ’s Nachts ontsnapte mijn vader door het raam. Hij vluchtte naar een bevriende boer. De man zei dat mijn vader zich in het hooi moest verbergen. Hij beloofde direct hulp te halen.

Mijn vader werd al snel gehaald – maar niet door verzetslui. De Nederlandse politie arresteerde mijn vader en bracht hem naar de gevangenis in Arnhem. Opnieuw had een vriend mijn vader verraden.

Op 2 juni 1944 bracht de Nederlandse politie mijn vader naar Westerbork. Van daaruit werd hij op 31 juli 1944 gedeporteerd naar Bergen-Belsen. Op 24 januari 1945 is mijn vader overleden door uithongering en ziekte.

Wij kennen het verhaal van mijn vader, omdat hij in Arnhem brieven schreef, die wij via vrienden kregen. De brief waarin mijn vader vertelt over zijn ontsnapping en verraad, heb ik zelf pas in late volwassenheid ontdekt. Beide verraders van mijn vader waren toen al dood.

De bevrijding kwam als een schok voor mijn broer en mij. Wij zaten in bad toen mijn moeder ineens binnenkwam. Wij herkenden haar niet. Zo vertrokken wij met een vrouw die voor ons een vreemde was.

Ik heb de rest van mijn jeugd samengewoond met mijn moeder, grootmoeder en broer. Ik herinner mij de sfeer in Dinxperlo na 1945 als best beklemmend. Wij werden als Joden regelmatig uitgescholden door dorpskinderen.

Na enkele jaren verhuisden we naar Utrecht. Ik kom uit een vrijzinnig Joods milieu, maar koos zelf voor een actief Joods leven. Dat deed ik, denk ik, ook uit een soort van morele verplichting tegenover iedereen die zo bruut was vermoord.

Enkele jaren terug zocht een jonge historicus mij. Hij had de zolder van zijn oudoom opgeruimd. Daar vond hij de bedrijfsportefeuille van mijn vader, met allerlei belangrijke persoonlijke papieren erin.

Hoe was zijn oudoom aan de portefeuille van mijn vader gekomen? Had mijn vader hem die zelf in bewaring gegeven? Of had de oudoom hem zijn belangrijkste bezit misschien wel afgepakt? We weten het niet.

Ik heb besloten vooral blij te zijn dat deze jongeman de moeite nam om mij te zoeken. Omdat hij mij de portefeuille terug gaf, heb ik mijn vader eindelijk leren kennen.

Er zaten familiefoto’s in die ik niet eerder had. Maar ook de belangrijkste papieren van mijn vader, van zijn bedrijf, de bank, en de familie. Papieren die vertellen wie mijn vader was, toen hij nog in vrijheid leefde. Papieren die meer inzicht geven in hoe hij de onderduik van de familie regelde.

Maar voor mij is één papiertje het meest waardevol. In zijn handschrift staat er:

Voor darmklachten: Twee beschuit. Om twaalf uur bouillon en twee lepels rijst.” Daaronder een vragenlijst: “Hoeveel keer per dag Nutromalt? Hoelang meekoken? In rijst of in karnemelk? Moet er Molenaar kindermeel bij?”

Dit briefje, dames en heren, gaat over mij. Mijn moeder vertelde altijd dat ik als baby in het ziekenhuis lag met darmklachten. Het briefje bevat de voedingsinstructies van de arts en een vragenlijst van mijn vader aan de arts. Zo zorgzaam was mijn vader dus.

Ik weet maar weinig over mijn vader. Maar u weet nu wel het belangrijkst: dat Louis Levy, die tot twee keer toe door zijn vrienden verraden werd, streed voor het leven en welzijn van zijn kinderen.

Ik dank u voor uw aandacht.

Sallo Levy

Facebooktwittergoogle_plusredditpinterestlinkedinmail